Op het Grote Oost 35 runnen Jan Ruiter en Gré Visser een winkel. Het echtpaar houdt zich vanaf het begin van de oorlog al bezig met het verzet.  Jan weet zoveel vertrouwen te winnen op het distributiekantoor dat hij vrijelijk over bonkaarten kan beschikken. Ze worden verdeeld over de ondergedoken Joden in de regio en in Noord- en Oost-Nederland. Als vervolgens aan Gré en Jan wordt gevraagd of zij een Joodse dokter en zijn vrouw in huis willen nemen, vinden ze dat vanzelfsprekend. En als een Joodse zakenrelatie afscheid komt nemen omdat hij zich met zijn vrouw moet aanmelden voor Westerbork, stelt Jan dat er ook plaats is voor hen.

Soms zitten er wel zestien personen tegelijk in huis ondergedoken. Joodse mensen, verzetslieden, jonge mannen die de Arbeitseinsatz (tewerkstelling in Duitsland) weigeren: allen krijgen een veilige verstopplaats achter de winkel en op de zolder. Gré zorgt voor eten en regelt samen met Jan persoonsbewijzen, bonkaarten en stempels. Sommigen blijven lang, anderen alleen tot Jan een ander veilig onderduikadres voor ze vindt.

De onderduikers worden steeds meer Gré’s verantwoordelijkheid als Jan zijn eigen plan trekt. Maar Gré  gaat door. Op een dag is de dreiging zo groot dat zij en alle onderduikers het huis moeten verlaten. Even later wordt Gré opgepakt en weer vrijgelaten. Als de kust weer veilig is, komen ook alle onderduikers weer terug. En met het verstoppen van onderduikers gaat ze door tot de oorlog is afgelopen.

Op 5 mei 1945, Bevrijdingsdag, wordt een foto gemaakt op de binnenplaats achter het huis, met daarop de hele familie en alle onderduikers die er op dat moment woonden.
De foto is als gedenksteen ook te zien op het pand Grote Oost 35.

In 2011 krijgt Gré de titel “Ereburger van Hoorn”. In 2015 wordt ze postuum onderscheiden met de hoogste Israëlische onderscheiding, de Yad Vashem.